Selecteer een pagina

Ik ga dammen

Hardlopen heb ik eigenlijk altijd al leuk gevonden. Of ik er goed in was? Misschien niet zo goed als in het fietsen. Toch ging het me goed af. Als klein jochie liep ik regelmatig de Plantsoenloop in Groningen. Hier ging ik vaak de eerste bocht als eerste in en als laatste uit. Ondanks dat en het afzien onderweg is de lol in hardlopen toch altijd gebleven. Hoewel…

Ergens begin deze eeuw heb ik er toch ook wel eens anders over gedacht. Om nog maar over te zwijgen over het fiets onderdeel dat bij deze loop hoorde. We waren op vakantie in Guillestre om een week te fietsen in de bergen. En toen bleek dat er een ‘duathlon’ georganiseerd werd. 4km fietsen met 400 hoogtemeters en daarna 2,5 km lopen met de zelfde start en finish. Dat leek mij wel wat als fanaat triatleet.

 

Mijn vader schreeuwde van achteren: “AANHAKEN!” Natuurlijk lukte dat niet, want het verschil was gewoonweg veel te groot

Zo gezegd, zo gedaan dacht ik. Na een week fietsen moest het wel een appeltje-eitje worden. Ik was in vorm, had er zin in en koesterde toch wel een kleine verwachting. Met een skihesje aan stond ik aan de start van het fietsen. Ik vloog omhoog, maar na goed 2 kilometer bleek dat ik toch wat te hard van stapel liep. De benen liepen vol en ik werd ingehaald. Mijn vader schreeuwde van achteren: “AANHAKEN!” Natuurlijk lukte dat niet, want het verschil was gewoonweg veel te groot. Bovendien zag ik dat het ventje (Serge Garnier) ongeveer tot mijn heupen kwam en zijn fiets had ontdaan van alle overbodige luxe. Ofwel het stuurlint miste én zijn zadel met bijbehorende pen waren van de fiets gehaald. Ik brak.

Gelukkig was er nog een tweede onderdeel. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. En na een kleine rustpauze waarin er afgedaald kon worden stonden we met z’n allen klaar voor de start. Na een geneutraliseerd rondje in het dorp mochten we bij de fontein op de markt los. De eerste meters waren vlak. Gemakkelijker dan dat kon je het niet krijgen natuurlijk. De eerste bocht draaide ik als een van de eerste in en als middelste weer uit. Ik was even vergeten dat als je veel vlak loopt in een bergloop je ergens anders tweemaal zo stijl omhoog moet. Het stijgingspercentage was dan ook zo dat de gemiddelde trap van een doorzonwoning flauw omhoog gaat. Met ontplofte bovenbenen zette ik mijn strijd voort. Hier en daar leek het meer op klimmen dan op hardlopen en mijn beoogde topklassering liet ik sneller varen dan kajakken die in free fall een waterval afkomt.

Wederom stond ik boven. Gebroken. Het laatste vlakke stukje naar de finish was bijna te veel. Mijn ouders stonden me op te wachten en moesten hartelijk lachen. “Ik zou gaan dammen”, zei mij vader. “Ja, ik ga dammen!”, was mijn antwoord.